Met Bart sprak ik af in De Studio, waar hij vertelde over zijn onderzoekende en experimentele manier van werken, zijn inspiratiebronnen en waarom het Watlab voor hem de ideale plek is om zijn praktijk open te stellen voor dialoog en kruisbestuiving met andere makers. Hij werkt er aan een architectuurroman.
Door Lina Asadi
“Ik onderzoek hoe architectuur een gevoel van vertigo kan creëren: een lichte duizeligheid wanneer vaste rollen en verwachtingen op losse schroeven komen te staan.”
Waar ga je aan werken in het Watlab?
In het Watlab werk ik aan een architectuurroman waarin archiefonderzoek, architectuurkritiek, literair schrijven en beeldend werk worden gecombineerd.
Het project is opgezet als een typisch architectuurboek, met alle media die daarbij horen: artikels, interviews, collages, tekeningen, plannen, foto’s en renderings. Maar dat alles is fictie: ik creëer mijn eigen archiefdocumenten om een speculatief onderzoeksproject vorm te geven.
De roman vertelt het verhaal van een fictieve architectuurpraktijk uit de jaren ’90, met een focus op hun projecten rond gender en mannelijkheid. Vandaag zijn dat opnieuw actuele thema’s, en ik vroeg me af: welke architectonische ruimtes hebben mijn kijk op mannelijkheid gevormd? En hoe zouden die anders ontworpen kunnen worden om bepaalde sociale dynamieken en genderrollen uit te dagen? Zo ontstond het idee om te onderzoeken hoe architectuur een gevoel van vertigo kan creëren: een lichte duizeligheid wanneer vaste rollen en verwachtingen op losse schroeven komen te staan.
Wat sprak jou aan in de schrijfplek?
Het Watlab is een plek die openstaat voor dialoog. Het schrijfproces is vaak individueel: je sluit je af, focust en neemt afstand. Maar op een bepaald moment ontstaat de behoefte om te delen, om te reflecteren en in gesprek te gaan over waar je mee bezig bent.
Bij dit project zijn verschillende puzzelstukken aan het samenkomen, maar ik merk dat een kruisbestuiving nodig is. Het Watlab leek me de juiste omgeving, omdat hier makers samenkomen met uiteenlopende achtergronden en expertises. Dit voelt als het juiste moment om het project collectiever te benaderen én andere makers en hun projecten beter te leren kennen.
“Ruimtes zijn nooit neutraal: ze versterken bepaalde verhoudingen en sluiten andere uit.”
Hoe zou jij jezelf omschrijven als maker?
In de kern combineer ik architectuur en literatuur, fictie en schrijven op verschillende manieren. Mijn praktijk is breed en gelaagd: ik doe onderzoek, geef les, schrijf voor tijdschriften, ben redacteur en werk aan literaire en artistieke projecten. Die verschillende rollen overlappen voortdurend en voeden elkaar.
Daarom omschrijf ik mijn werk vaak als een tentaculaire of hybride praktijk. Oorspronkelijk ben ik opgeleid als architect, maar ik heb altijd meer geschreven dan getekend en ben afgestudeerd met korte verhalen over architectuur. De afgelopen tien jaar heb ik vooral via schrijven en artistiek-literaire projecten ‘architectuur gemaakt’ – meer vanuit het literaire en artistieke veld dan vanuit de klassieke bouwpraktijk. Je zou me dus een schrijvend architect kunnen noemen.
Waarom onderzoek je thema's als gender en ruimte via architectuurfictie?
Architectuur zie ik als een vorm van culturele productie. Een gebouw kan, net als een roman, een verhaal vertellen. Hoe een ruimte is vormgegeven bepaalt wat mogelijk is, wie zich welkom voelt en welke sociale regels en rollen er al dan niet bevestigd worden. Ruimtes zijn nooit neutraal: ze versterken bepaalde verhoudingen en sluiten andere uit. Binnen onze samenleving, speelt gender speelt hierin een grote rol. Publieke ruimte wordt helaas nog steeds vooral vanuit een mannelijk perspectief ontworpen en ook onze wooncultuur en bijhorende gebouwen berusten nog steeds op erg binaire genderrollen. De gedragspatronen die ons op basis van een bepaalde genderidentiteit worden aangeleerd zijn dan ook ruimtelijk verankerd, wat ze een bepaalde zwaarte geeft. Het anders ontworpen van die ruimtes kan dan misschien die gedragspatronen op losse schroeven zetten.
Architectuurfictie geeft mij de mogelijkheid om die samenhang expliciet te maken en te bevragen. Door ruimtes anders in beeld te brengen, kan ik onderzoeken of andere sociale rollen en dynamieken mogelijk zijn en welke maatschappelijke en politieke implicaties daaraan verbonden zijn.
“Mijn werk bevindt zich in die voortdurende spanning tussen feit en fictie.”
Hoe combineer je feit en fictie in je werk?
Voor mij zijn feiten en fictie niet per se tegengestelden. Die twee overlappen voortdurend, zeker in architectuur. Een ontwerp vertrekt altijd vanuit verbeelding: plannen, tekeningen en renders zijn fictieve constructies van iets dat nog niet bestaat, maar ook een gerealiseerd gebouw blijft een drager van dat verzonnen verhaal. Het gebouw is uiteindelijk een ander medium om datzelfde verhaal te vertellen.
Daarnaast werk ik als onderzoeker met archiefmateriaal, waar feiten vaak onvolledig zijn. Documenten laten gaten na, waardoor je als onderzoeker onvermijdelijk een verhaal reconstrueert via interpretatie en verbeelding. Dat is natuurlijk niet vrijblijvend. Fictie is hierbij geen verzinsel, maar kan een methode zijn om die gaten te onderzoeken. Dit sluit aan bij methodes als critical fabulation van Saidiya Hartman, waarbij ze fictie inzet om historische verhalen te vertellen die doelbewust uit de geschiedenis werden geschreven, of bij speculative fabulation van Donna Haraway, die fictie gebruikt om mogelijke toekomsten te verkennen. Mijn werk bevindt zich in die voortdurende spanning tussen feit en fictie.
Zijn er architecten of schrijvers die je altijd inspireren?
Het boek Architectural Flirtations van Brady Burroughs maakte grote indruk op me als student. Daarin zet Burroughs fictie in om een bestaand gebouwencomplex te bevragen en er andere toekomsten in te projecteren. Die overlap tussen het verhalende en het gebouwde leerde me dat architectuur nooit louter fysiek is, maar altijd sterk bepaald wordt door perceptie en narratief. Het is daarnaast ook een boek die een hele resem aan verschillende media inzet om een bepaald argument te maken: die productieve frictie tussen verschillende media kan heel spannend zijn.
In de literatuur haal ik inspiratie uit schrijvers als Siri Hustvedt, die bijvoorbeeld in haar fantastische roman The Blazing World werkt met alternatieve geschiedenissen en fictieve constructies om bestaande systemen en realiteiten kritisch te bevragen.
Bart Leo Decroos (1989) is architect, schrijver en redacteur gebaseerd in Antwerpen en Brussel. In 2015 studeerde h
Bart Leo Decroos (1989) is architect, schrijver en redacteur gebaseerd in Antwerpen en Brussel. In 2015 studeerde hij af aan Sint-Lucas Brussel met een speculatief ontwerpproject, getiteld 'The Fourth Wall of Architecture', waarin architectuurtheorie, fictieve verhalen en satirische tekeningen worden gecombineerd. Hij schreef voor diverse tijdschriften en bladen en redigeerde verschillende boeken over architectuur. Kortverhalen van hem werden gepubliceerd in Kluger Hans en De Lage Landen.
...Het Watlab is een atelier, een broedplek, een laboratorium op de zolder van De Studio in Antwerpen, waar de residenten dag en nacht terecht kunnen om elk aan hun eigen projecten te werken, en samen in gesprek gaan over het creatieproces.
Meer over dit project
