Op een rustige dinsdagochtend ontmoeten we elkaar aan een tafel in De Studio. Als publiekshistoricus brengt hij verhalen uit het verleden dichter bij het grote publiek. In het interview spreekt Jakob over zijn manier van werken, zijn fascinatie voor historische details en de rol van verbeelding binnen zijn werk. In het Watlab werkt hij aan zijn project Bloedmooi Doodeerlijk.
Door Lina Asadi
“Het mooiste aan geschiedenis vind ik de kleine menselijke details. Vanuit één vergeten zinnetje kan je een hele wereld opbouwen.”
Wat doet een freelance historicus zoal en hoe kijkt hij naar taal?
Ik werk vaak in opdracht van musea en erfgoedinstellingen. Op basis van onderzoek bedenk ik concepten en schrijf teksten voor een tentoonstelling, een audiowandeling, een podcast en meer van dat.
Je draagt de verantwoordelijkheid om geschiedenis toegankelijk te maken voor een breed publiek. Tentoonstellingsteksten moeten kort zijn. Dat betekent schaven en schrappen tot de boodschap uitgepuurd is. Tentoonstellingsteksten zijn natuurlijk geen literatuur, maar ik schrijf ze wel met eenzelfde zorgvuldigheid toe en probeer er een soort talige vrolijkheid in te steken. In de tentoonstellingsteksten die ik schrijf, vertrek ik graag vanuit persoonlijke verhalen en sprekende details. Zo activeer je betrokkenheid en verbeelding, en wordt het historische kader minder abstract.
Hoe ga je te werk als je geschiedenis in audio vertaalt?
Vroeger had je twee soorten audio in musea: droge feiten, vaak ingelezen door een wat geaffecteerde stem, of weinig overtuigende historische toneeltjes. Ik probeer verhalend en beeldend te werken. Je schetst een auditief kader waarin de luisteraar zelf kan bewegen.
In audio kan je vanuit één historisch detail een hele wereld opbouwen. Een voorbeeld: ik maakte een reeks audioverhalen over zaal Harmonie in Antwerpen. Tijdens het vooronderzoek vond ik een droog verslag over een communiefeest voor hulpbehoevende gezinnen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het verslag vermeldde dat er één smet op de avond was: op het einde zetten enkele vrijwilligers de Brabançonne in en dat was ongetwijfeld als protestlied bedoeld. In audio kan je dat ene zinnetje uitbouwen tot een levendige scène. De nodige historische context kan je er bijna achteloos in verweven.
Je combineert historisch onderzoek met fotografie. Hoe verhouden die zich tot elkaar?
Ik heb fotograferen en schrijven altijd als verwant aangevoeld. Schrijven is kijken met je ogen dicht, zei Remco Campert eens. Voor mij geldt dat alleszins ook. Je installeert het decor voor je ogen en de verbeelding doet de rest.
Fotografie kan ook inspireren. Een paar jaar geleden belandde ik toevallig in het Waalse stadje Engis in de Maasvallei. Op een mistige winteravond waan je je in een Twin Peaks-decor. Dat inspireerde in de eerste plaats tot een fotoreeks. Ik ontdekte dat Engis in de jaren 1930 door een smogramp werd getroffen. De combinatie van de bevreemdende omgeving en de geschiedenis zette mijn verbeelding in gang en dat leidde uiteindelijk tot een magisch-realistisch audioverhaal dat zich afspeelt tegen de achtergrond van die ramp.
Je werkt vaak in opdracht, maar voor het Watlab breng je een eigen project mee?
Klopt. Bloedmooi Doodeerlijk is een persoonlijk passieproject. Het draait rond de oudste foto’s van de gerechtelijke politie Antwerpen. Als vrijwilliger in het Rijksarchief digitaliseerde ik een paar duizend fotografische glasplaten. Een eeuw geleden arriveerde de gerechtsfotograaf vaak pas uren of dagen na een incident op de plaats van een misdrijf of een ongeval. De scène is vaak leeg maar het decor staat er nog.
De foto’s nodigen uit om zelf verhalen in te vullen, al kan je in de archieven ook op zoek naar de ware toedracht. De foto’s zijn ook documentair ontzettend interessant. De gerechtsfotograaf toont vaak doodgewone plaatsen die niemand anders fotografeerde. In het Watlab werk ik aan een boek waarin foto’s en korte essays elkaar afwisselen. Ik vertrek vanuit wat mij persoonlijk raakt of opvalt. Dat kan een klein detail zijn, of het grotere geheel, al dan niet met kennis over de feiten achter de foto.
“Tentoonstellingsteksten zijn geen literatuur, maar ik schrijf ze met eenzelfde zorgvuldigheid en probeer er een talige vrolijkheid in te steken.”
Wat trok je zo aan in het Watlab?
Ik kijk vooral uit naar het samenzijn. Je werkt aan je eigen project, maar je vormt een soort gemeenschap. Inspiratie zit vaak in kleine details en informele momenten, gesprekken aan de eettafel, een toevallige opmerking of reflectie, een blik in het werkproces van iemand anders,... Wie weet opent het ook deuren naar nieuwe samenwerkingen.